In iemands hoofd kijken

Laatst hoorde ik een discussie tussen twee collega’s op mijn werk. Waar het over ging weet ik niet precies, maar de een zei tegen de ander: ‘dat zie je toch!’
Dat is een interessante opmerking, dat zie je toch. Betekent zoveel als: ik zie het, dus moet jij het ook zien. Komt ook voor als: dat doe je toch, dat is toch normaal, (zo doen we dat allemaal, ik doe dat dus jij moet dat ook doen).

Met een van de collega’s ging ik hierover in gesprek. Een beetje geïrriteerd legde hij uit waarover het ging: bepaalde taken in het werk werden door de andere collega niet als vanzelfsprekend opgepakt. In dit geval ging het over schoonmaken van het tosti-apparaat na gebruik, de collega had aangebrande kaas gewoon laten zitten in het apparaat. ‘Dat zie je toch’, sprak hij verontwaardigd. ‘De kaas lag op de bodem, aangebrand en wel’.

Hoe ga ik dit uitleggen, vroeg ik me af. Ik deed een poging. ‘Kan het zo zijn, dat hij daar echt geen oog voor heeft? Jij ziet die dingen wel, maar niet iedereen heeft daar oog voor…’

Dat vond de collega maar raar. ‘Heb jij dan nooit dat iemand anders iets vanzelfsprekend vindt en jij niet?’ vroeg ik. ‘Nee’, was het antwoord. Ik wist wel een voorbeeld. ‘Weet je nog, vorige week, toen verwachte een andere collega van jou dat je bij het verlaten van de ruimte de lichten uit deed en jij was verbaasd toen hij dat tegen je zei’.

‘Dat is toch heel iets anders?’ reageerde mijn collega. ‘Ja, dat klopt, het gaat over iets heel anders, maar wat ik hier mee wil zeggen is dat het voor een ander niet vanzelfsprekend is dat hij ziet en doet hoe jij de dingen doet. Mensen zijn gewoon verschillend. De een is hier goed in, de ander daarin’.

Toch maar een beetje raar, vond mijn collega. ‘We hebben een team’, sprak ik, ‘met allemaal mensen met verschillende talenten. De een is goed in de kassa, de ander in het maken van broodjes, een derde heeft oog voor hygiëne en poetsen. Kijk als jij broodjes smeert, dan doe je daar kaas op maar je verzint het niet om er een blaadje sla en een tomaatje tussen te leggen, dat doet jouw collega weer wel. Dan zou ik toch ook kunnen zeggen: dat snap je toch? Maar zo logisch is dat dus niet’. Mijn collega begon het een beetje te snappen. ‘Je kunt niet voor een ander denken. En een ander kan niet in jouw hoofd kijken. Dus wat je verwacht, moet je zeggen, anders weet iemand anders dat niet’, vatte ik samen.

‘Ik had ooit een collega die mij met armen vol zware dingen aan zag komen lopen, maar niet bedacht om de deur voor me open te doen’, ging ik verder. ‘Dat zie je toch, kun je dan denken, maar zij zag het gewoon niet. Toen ik vroeg om de deur open te doen, deed ze dat wel maar ze had het niet zelf verzonnen’. Ik zag verbazing in de ogen van mijn collega. ‘Echt waar’, voegde ik eraan toe, ‘ik snapte dat toen ook echt niet waarom zij niet de deur opendeed. Maar nu weet ik dat het bij iedereen anders werkt en het scheelt een hoop frustratie als je uitspreekt wat je verwacht, en vraagt wat een ander denkt’.

Mijn collega knikte. ‘Ik zal het eens proberen’, zei hij. ‘En je kunt inderdaad niet in iemands hoofd kijken. Zou wel handig zijn trouwens’, lachte hij en daarover waren we het samen eens.