Het sprookje van de gelukseilanden

bootje

Er was eens een meisje dat stuurloos in een bootje ronddobberde. Waar ze ook keek, links, rechts, voor of achter, overal zag ze water. Water met golven die tegen de rand van haar bootje beukten. Soms waren de golven zo hoog dat ze bang was dat het bootje om zou slaan. Of dat een golf zo hoog zou zijn dat hij de hele boot vol water zou vullen. Ze wist niet zo goed wat ze moest doen. Er waren wel peddels in de boot, maar tegen zulke hoge golven oproeien hielp geen steek. Ze ging hooguit iets naar links, naar rechts, naar voren of naar achteren, maar ze kwam nergens. Als ze probeerde vooruit te kijken, in de verte, zag ze meestal niets. Vaak hing er een dichte mist. Soms dacht ze door de mist wat schaduwbeelden te ontwaren, maar zeker wist ze dat niet. ’s Nachts sliep ze slecht door de golven en de kou. Elke ochtend was het de vraag wat voor mist er hing. Lichte mist of dichte mist. Of soms zwarte mist.

Op een ochtend werd ze wakker doordat haar bootje ergens tegenaan botste. Ze schrok op en keek om zich heen. Door de mist zag ze twee ogen die haar van een afstandje aankeken. Een jongen. ‘Hoi!’, zei hij. Het meisje kon van schrik geen antwoord geven. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg de jongen. ‘Naartoe?’ antwoordde het meisje verbaasd. Ze ging helemaal nergens naartoe. Ze dreef hier gewoon. Soms iets naar links, naar rechts, naar voren of naar achteren. Maar ergens naartoe, nee dat niet. De jongen keek eens goed naar het meisje. ‘Weet je niet waar je heen wilt?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Wil je misschien met mij mee, ik ga naar de gelukseilanden. Zal ik je de weg wijzen?’. Het meisje dacht na. De gelukseilanden? De weg wijzen? Ergens naartoe? Ze wist het niet. ‘Vertrouw me maar’, sprak de jongen. ‘Oke’, aarzelde het meisje. Ze had niet zoveel keus vond ze, hier blijven dobberen was het ook niet echt. De jongen bond het bootje van het meisje aan zijn bootje vast en begon te peddelen. Het meisje was verbaasd over de snelheid waarmee de mist leek te verdwijnen en er wolken verschenen aan de hemel. ‘Je mag wel mee peddelen’, lachte de jongen, ‘dan gaan we sneller. Het meisje pakte de peddels op en begon te peddelen. ‘Ik kan het niet zo goed’, riep ze tegen de jongen. ‘Geeft niet’, antwoordde hij, ‘dat leer je wel’. Beetje bij beetje klaarde de lucht op. Op enig moment verscheen er zelfs een zon achter de wolken. ‘Kijk’, wees de jongen, ‘daar, in de verte, daar gaan we naartoe. Daar ligt het eerste gelukseiland’. Samen peddelden ze nog een tijdje door, tot er een eiland in zicht kwam. De jongen loodste beide bootjes aan wal en nodigde het meisje uit om op het eiland te stappen. Verbaasd keek ze rond. Het was mooi: groen en fleurig. Ze hoorde allerlei vogels fluiten en er hing rijp fruit aan de bomen. En, niet het minst belangrijk: de zon scheen er! Het meisje ging zitten onder een palmboom en voelde de warmte op haar huid. De jongen reikte haar een stuk ananas aan, wat ze smakelijk opat. De warmte op haar huid drong langzaam haar hele lichaam binnen en ze ontdooide wat. Ze had het gevoel of er een deken van mist van haar afviel. Dromerig soesde ze weg, maar niet voor lang. ‘Kom op’, zei de jongen, ‘we gaan verder’, en hij trok haar mee naar de bootjes. ‘Waarom verder?’ Vroeg het meisje, ‘kunnen we hier niet blijven?’. ‘Nee joh, dit is pas het eerste gelukseiland. Daar kun je niet blijven, er is hier nog veel te veel mist in de buurt. We moeten verder. Peddel maar mee’. Met tegenzin stapte het meisje weer in het bootje en begon mee te peddelen. Al gauw verschenen er weer wolken en langzaamaan werd het ook mistig. ‘Kunnen we echt niet terug?’ riep ze naar de jongen. ‘Vertrouw me nu maar, hier moeten we even doorheen. Strakjes komen we bij nog een mooier eiland’, antwoordde hij haar. En zijn belofte kwam uit, al duurde het wel even. Na een zware tocht door mist en kou was het volgende eiland in zicht. Opgelucht zette het meisje ook daar voet aan wal. Ze warmde zich aan de zon en leste haar dorst aan een kokosnoot. ‘Kunnen we hier dan blijven?’ vroeg ze aan de jongen. ‘Nee, ook hier kunnen we niet blijven. Maar het volgende gelukseiland is minder ver varen hoor’, sprak hij optimistisch. Na een tijdje peddelden ze naar het volgende eiland. Ook deze keer was het een barre tocht door mist en regen, maar hij duurde inderdaad korter en het leek ook iets minder mistig te zijn. Het meisje kreeg het peddelen al een beetje onder de knie, en het ging inderdaad sneller. Al gauw waren ze op het volgende eiland. Weer warmde het meisje zich aan de zon, at en dronk tot ze verzadigd was en soesde een beetje weg. ‘Je kunt gerust gaan slapen hoor’, sprak de jongen. ‘We gaan morgen pas weer verder’. Tevreden dommelde het meisje in slaap.

Uitgerust en energiek werd ze de volgende dag wakker. ‘Waar gaan we nu naartoe?’, vroeg het meisje toen de jongen haar een glas water aanreikte. ‘We zullen weer een stukje moeten peddelen’, lachte hij. ‘Even door de mist, maar daarna komen we bij een van de mooiste gelukseilanden. Ga je mee?’. Ze sprongen in de bootjes en naast elkaar peddelden ze vooruit. ‘Hoe weet je eigenlijk de weg?’ vroeg het meisje. ‘Ik ben hier vaker geweest’, antwoordde de jongen. ‘Maar je kunt het ook leren zien’. ‘Hoe dan?’ vroeg het meisje. ‘Nou, je kunt leren door de mist heen te kijken’, sprak de jongen. ‘Ergens in de verte is er altijd wel een eiland. En als de mist zo erg is dat je niets kunt zien, dan is er meestal wel iemand in de buurt die je even op sleeptouw neemt. Net zoals ik bij jou doe.’ Een glimlach verscheen op zijn gezicht. Met deze gedachten peddelde ze samen verder. De mist was hier een stuk lichter dan bij het eerste eiland. Als snel zag ze het volgende eiland in de verte. ‘Is het daar? vroeg het meisje. ‘Ja, daar gaan we heen. En als je verder kijkt, dan zie je dat daarachter nog meer eilanden liggen’.

Hoopvol peddelde het meisje door tot ze bij het volgende eiland waren. Daar bleven ze wat langer. Ze maakten plannen om naar de volgende eilanden te gaan. ‘Denk je dat je het alleen kunt?’ vroeg de jongen. Het meisje dacht na. Het peddelen had ze nu aardig onder de knie en de eilanden zag ze van hieruit liggen. De mist was opgetrokken en de lucht was blauw, op een enkele wolk na. ‘Ik weet het niet’, sprak het meisje, ‘wat als er mist komt opzetten? Kunnen we niet gewoon hier blijven?’.
De jongen keek haar begrijpend aan. Hij kende haar angst, het was ook spannend. ‘Je kunt nergens voor altijd blijven’, antwoordde hij, ‘maar de afstand tussen de eilanden wordt kleiner, zoals je ziet. Vanaf hier zie de volgende eilanden al liggen. Verderop liggen wat grotere eilanden, daar kun je wat langer blijven. En je kunt al behoorlijk goed peddelen!’. Het meisje zuchtte. ‘En hoe zit het dan met de mist?’. ‘Soms is er mist’, zei de jongen, ‘maar meestal niet. Soms zijn er alleen maar donkere wolken, Je kunt echt goed peddelen, en je kunt de eilanden zien liggen, het gaat je echt lukken!’.

‘Oké’, sprak het meisje dapper. Ze pakte de peddels en sprong in haar bootje. De jongen zwaaide haar gedag en riep haar nog na: ‘Vergeet niet dat als het echt heel mistig is, je gewoon moet roepen, er is altijd wel iemand in de buurt die je dan even op sleeptouw kan nemen!’
Het meisje knikte, zwaaide terug en begon te peddelen. Vol vertrouwen, en met haar blik op de horizon gericht.